‘Ik haat school!’

‘Ik ga niet meer naar school. Ik haat school!’ zei mijn zoon van zeven boos op een ochtend. Hij had die avond een toneelstuk en hij had een rol die hij eigenlijk niet wilde. Hoe geweldloos om te gaan met een boos kind?

Allereerst gaf ik mezelf de schuld. Ik was verbaasd geweest toen mijn zoon vertelde dat hij in het toneelstuk danser was in plaats van vosje. Ik dacht dat hij een hekel had aan dansen. Ik had het kunnen weten dat hij geen danser wilde zijn. Bovendien weet ik ook dat hij er moeite mee heeft om aan te geven wat hij wil. Waarom had ik niet gevraagd of hij écht wel danser wilde zijn?

En de juf dan?

Ook naar zijn juf toe was ik verontwaardigd. In het tussentijds verslag had zij aangegeven dat mijn zoon een jongen is die wat hulp nodig heeft bij aangeven wat hij wil. Waarom had zij dan niets gezegd? Nu ik dit schrijf besef ik pas dat ik iets aanneem dat misschien helemaal niet waar is. Misschien heeft zij wél gevraagd of hij deze rol echt wel wilde. Toch eens navragen.

Hij wist het niet

Maar goed, mijn zoon wilde niet meer naar school. En diezelfde avond was het toneelstuk. Er konden nu geen rollen meer worden veranderd, nam ik aan. Dat vertelde ik hem ook. Ik vroeg hem waarom hij niet eerder had gezegd dat hij geen danser wilde zijn. ‘Ik wist het niet,’ riep hij wanhopig uit. ‘Wat wist je niet?’ vroeg ik niet begrijpend. ‘Dat de rollen al verdeeld waren. Waarom heb jij het niet gezegd?’ ‘Ik wist niet wanneer de rollen verdeeld waren en ik wist niet dat je geen danser wilde zijn, tot gisteravond.’ Het bleek dat mijn zoon dacht dat hij niets te kiezen had. Dat hij de rol moest nemen die hem werd opgelegd.

De hoed is het probleem

Ik stelde voor om nog diezelfde ochtend zijn juffie aan te spreken om te kijken naar een oplossing. Daar was hij blij mee. Toen bleek hij met enige aanpassing toch wel met de rol van danser te kunnen leven. ‘Ik zet mijn hoed af. Die vind ik niet leuk staan.’ Onderweg naar school bleek de hoed toch een probleem. ‘Van juffie hoef ik de hoef niet op te doen, maar Erik zegt dat ik de hoed op moet doen,’ vertelde mijn zoon. Erik is zijn klasgenootje. ‘Erik bepaalt niet of je je hoed op moet, dat bepalen juffie en jij,’ antwoordde ik. ‘Ik doe geen hoed op. Ik vind de hoed stom,’ was zijn stellige antwoord. Probleem opgelost, dacht ik.

Wat wil hij eigenlijk zelf?

We praatten nog wat over duidelijk zijn over wat je wilt en meteen aangeven welke rol je wilt hebben in een toneelstuk. Ik vertelde dat ik als kind ook altijd rollen kreeg die ik niet wilde, maar dat ik niet durfde aan te geven dat ik eigenlijk wel een hoofdrol wilde. ‘Ik wilde eigenlijk vos zijn, of gouden vogel,’ zei mijn zoon. Alle kinderen hadden op een papiertje mogen tekenen wat ze wilden zijn. Hij had een vos getekend. Ik vertelde hem dat ik nog eens solo wilde zingen. Dat ik me de week ervoor, toen ik langs het Concertgebouw in Amsterdam liep, gniffelend had voorgenomen daar nog eens op het podium te staan.

Best eng

‘Het is best eng om veel te moeten zeggen in je eentje,’ zei mijn zoon. Ik vertelde hem dat je in een toneelstuk of concert steeds je best doet. Dat je met plezier geeft wat je te geven hebt en dat het aan het publiek is om er iets van te vinden. Ik had hem ook nog kunnen vertellen dat hun mening niets zegt over wat je doet. ‘Als vosje zeg je best wel veel,’ zei hij. O, dacht ik. Misschien past de rol van danser dus juist goed bij hem. In die rol hoefde hij namelijk niets alleen te zeggen. Ik vertelde hem dat ik verbaasd was met zijn rol als danser, omdat ik dacht dat hij een hekel had aan dansen. ‘Je hoeft niet echt te dansen, maar te springen en te huppelen,’ antwoordde hij. En toen ineens enthousiast: ‘Weet je wat gaaf is? Als we heel hard gaan, dan glijden we!’ Hij leek nu warempel blij met zijn rol! Het ging dus puur om autonomie: de vrijheid om zelf te kunnen kiezen.

Wat heeft een ijsje ermee te maken?

Dat mijn zoon zelf wilde kunnen kiezen, bleek nog eens duidelijk die middag na school. Op de fiets naar huis bleef hij maar vragen om een ijsje. Hij zei dat zijn mond droog was, dat hij honger had en écht niet verder kon. Hij wilde niet drinken of eten, hij móest een ijsje. Ik werd er geïrriteerd van. Toen bedacht ik me dat het wel eens iets te maken zou kunnen hebben met het toneelstuk. Ik vroeg hem of hij nog steeds niet blij was met zijn rol. Geen reactie. Ik vroeg hem wat er was. Waar het hem om ging. ‘Om een ijsje,’ zei mijn dochter, die voorop mijn fiets zat. ‘Nee,’ zei ik, ‘volgens mij gaat het erom dat hij zelf kan kiezen.’ ‘Ja!’ zei mijn zoon. Meteen daarop merkte ik een verandering bij hem. Hij fietste energiek naast me en lachte en praatte weer zoals gewoonlijk. Ik was verwonderd en blij. Wat gehoord worden al niet met een mens kan doen.

Om privacy redenen zijn de namen gefingeerd en is de jongen op de afbeelding niet mijn zoon.

Advertenties

Een gedachte over “‘Ik haat school!’

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s